Waar zou je absoluut niet op vakantie naar toe zou willen gaan?
Dat is de vraag die me zojuist gesteld is, toe ik op de bus naar huis stond te wachten. Voor een radio-interview wel te verstaan.
Spontaan kwam er géén enkele plek ter wereld in mijn gedachten op waar ik niet een tijdje zou willen vertoeven. Dus ik antwoorde de goede man maar het volgende: “Iedere plek op aarde heeft iets moois te bieden. Er zijn plekken die niet heel erg hoog op ons verlanglijstje staan, maar dat lijstje is zo ontzettend lang, dat we naar alle waarschijnlijkheid tijd te kort komen om het helemaal af te kunnen werken.” Waarschijnlijk was het antwoord bevredigend genoeg voor hem, want hij bedankte me vriendelijk en wenste me nog een prettige dag.
Maar zelfs nu ik een paar uur verder ben, en toch wel even over die vraag heb kunnen nadenken, komt er absoluut niets in mijn gedachten naar boven borrelen waarvan ik zeg: “Nee, bedankt, maar daar wil ik onder geen enkele voorwaarde naar toe gaan.”
Nu ik met dit stukje bezig ben, bedenk ik me een plek waar ik niet naar toe op vakantie zou willen, maar terwijl ik deze zin zit te typen weet ik al dat ook dat niet waar is. De plek die bij me boven kwam drijven is het ziekenhuis. Het geniet absoluut geen voorkeur om daar een poosje te vertoeven, maar ach, je gaat er ook niet zomaar heen. En je weet ook dat, normaal gesproken, je weer gezonder naar huis toe gaat, dan dat je er naar toe gaat. En dat is toch zeer zeker een mooi iets.
Mijn laatste verblijf aldaar was geen groot succes, maar als ik opnieuw de keuze zou hebben om daar te mogen genieten van een tweedaagsverblijf zou ik het zou weer doen. En als ik het zo bekijk was het eigenlijk toch best wel een heel erg groot succes. Ik bedoel de operatie is helemaal geslaagd. De pijn die ik voorheen in mijn elleboog had is helemaal verdwenen. Mijn elleboog kraakt niet meer als een plank die door de midden wordt gebroken. Goed, hij knakt nog wel en zal dat waarschijnlijk ook wel voor altijd blijven doen, maar daar is mee te leven. De pijn die ik nu nog heb is een hevige soort van spierpijn als ik mijn elleboog zover mogelijk strek of buig. En de therapie begint nu langzaamaan zijn vruchten af te werken. Soms heb ik wel een terugslag, maar dat hoort er allemaal bij. Als ik alles per twee weken zou bekijken, dan moet ik gewoon zeggen dat het stapje voor stapje steeds iets beter gaat. Er is nog een lange weg te gaan, maar het duurt ook nog even voordat we aan het kerstdiner zitten en we in totaal een half jaar verder zijn.
Nu alleen nog een plekje zien te bedenken waar we absoluut niet naar toe op vakantie willen gaan. Misschien komt die nog wel eens ooit tevoorschijn en zetten we die bewuste plek helemaal onder aan ons lijstje. En als we dan over 50 jaar op dat lijstje naar de niet doorgestreepte plekken kijken, dan hoeven we alleen maar te zeggen: ” ‘s-Jammer.”
Vriendelijkheid kost geen cent en zwaaien is gratis
Vol verwachting kijk ik naar links. Nog twee minuten geeft het bord aan en dan komt de bus. Het is niet echt druk op de weg, dus ik heb vrij zicht op alles wat komen gaat. Is dat toch niet zo’n heel groot probleem, want ik sta bij de Smalle Haven, en daar komt het openbaar vervoer samen met de hulpdiensten en taxi’s uit één richting en al het overige verkeer uit de andere. Drie minuten later verschijnt er in de verte een wit voertuig. Daar zal je hem hebben. ‘s Jammer. Het is de bus naar Luijksgestel. Ik kijk weer op het bord. Negenentwintig minuten geeft het nu aan. Óf ik moet aan een nieuwe bril, óf de bus die net passeerde het het verkeerde nummer op zijn voorgevel staan. Kijk even op het bord welke bussen er nog meer komen en hoe lang dat nog wachten is. Anders loop ik maar gewoon, zo heel erg ver is het tenslotte ook weer niet naar huis. De bus naar Helmond blijk over een kleine vijf minuten ook langs te komen. Besluit maar daarop te wachten en gewoon te hopen dat deze bus wel gewoon rijdt, ondanks dat het vakantie is en de bussen volgens een vakantiedienstregeling rijden. En dan verschijnt er vanuit mijn linkerooghoek een Ford Focus. Marieke zit aan de passagierszijde met een boek in haar hand. Achter het stuur zit een jongedame die ik niet 1-2-3 herken. Lang, blond haar. Dat zal Karin dus wel zijn. Ik denk dat het wel een verrassing voor Marieke zal zijn als ze mij hier zal zien, dus ik ga maar zwaaien. Maar Karin blijft maar naar links kijken en Marieke blijft maar in het boek kijken. Ik denk dat het boek wel de stadsplattegrond zal zijn, dan maar hopen dat ze het boek niet op haar kop houdt, dan komt het vast allemaal wel goed. Alleen het gevolg is dat ik maar blijf zwaaien. Ik neem aan dat Karin toch wel een keertje naar rechts zal kijken omdat uit die richting de auto’s vandaan komen. En ja hoor, ze kijkt. Een paar seconden later kijkt Marieke ook op. Ze is verrast en blij (tenminste dat hoop ik dan) om me te zien. Ze zwaait net zo enthousiast als ik daar sta te zwaaien.
Een paar minuten later gaat mijn telefoon. Zoals verwacht is het Marieke. Het eerste wat ik hoor is een hoop gelach. Karin bleek me toch iets eerder te hebben gezien dan ik had gedacht. Want toen ze naar rechts keer en me (voor de tweede keer) zag staan, sprak ze de woorden:”Nou, dan kun je daar wel blijven staan zwaaien, maar ik ken je niet hoor. Vreemd menneke.”
Wel, dat is nog eens een compliment. Ze zouden ze met een paar wasknijpers aan haar oren aan het hoogste balkon van de Porthastoren moeten hangen. Want zelfs al zou ze me niet kennen, dan zou ze toch verrukt moeten zijn over het feit dat er nog mensen op deze wereld zijn, die heel spontaan vriendelijk zijn en gaan staan te zwaaien. Zomaar…..

